Uit het dagboek van Willem, 10 jaar

Het is het jaar 1601. Dockum heeft nog een open verbinding met de zee, en daarom heeft de Friese Admiraliteit zich 4 jaar geleden in de stad gevestigd. Groter dan wat we als de binnenstad anno nu kennen, is Dockum nog niet. Het leven speelt af zich binnen de bolwerken, die in 1581 zijn aangelegd om de stad te beschermen. Ergens op een zolderkamertje zit de tienjarige Willem uit het raam te staren…

Er was vandaag brand in de stad! Veel gebouwen zijn hier van hout dus er is vaak brand. Het was net twee uur geweest, ik slenterde met mijn vrienden door de straten van de stad, toen we hoorden dat de stadswachten vanuit de Waag alarm sloegen. Als er alarm is, moet iedereen helpen. Ook wij gingen emmers sjouwen om de brand te blussen. De achterkant van de bierbrouwerij aan de Diepswal kon nog maar net worden gered. Gelukkig hebben we meer brouwerijen en zaten we niet zonder bier. Iedereen in de stad drinkt bier, dat is heel normaal.”

Nu is het avond en kijk naar buiten vanuit mijn kamertje. Slapen lukt niet. Er gebeurt nog veel op straat. Mensen lachen en praten. Er is lawaai. Sommige mannen zijn nog aan het werk. Er zijn veel schepen aangekomen vandaag. Alle spullen die ze meebrachten moeten op karren geladen worden. Morgen zullen de paarden de karren trekken en het land ingaan met de waren. Ik ben benieuwd of mijn heit ook al terug van zee is. Het is al zes weken geleden dat ik hem heb gezien. Hij is kapitein, altijd op avontuur en vertelt dan stoere verhalen als hij weer thuis is. Over piraten enzo. Ik wil later ook op zee. Weg van de ongeplaveide straten en de steegjes die soms zulke modderpoelen zijn dat je er nauwelijks kunt lopen.

 

 

Mem weet niet dat ik nog wakker ben. Al mijn broertjes en zusjes slapen al. We zijn met ons negenen thuis en dat is best druk! Soms moet ik op de kleintjes passen. Meestal gaan we dan naar de markt. Soms krijgen we een snoepje, of een stukje vers brood van de bakker. Als we op de markt zijn geweest gaan we naar de haven. Daar is altijd wat te doen. Marktkooplui die luid roepen om hun handel te doen, herbergiers die hun slaapplaatsen aanbieden, scheepstimmermannen met hun gereedschap aan de slag.

Als we dan bij de zee zijn geweest gaan we over de bolwerken lopen. Die zijn hoog en dan heb je een mooi uitzicht over het land om ons heen. Je kunt ver kijken want er staan geen huizen. Soms fantaseren we over dat daar wel huizen staan en dat Dockum veel groter is dan nu. Terug naar huis in de stad zwaaien we altijd even naar de stadswachten. Zij zitten dus boven in de Waag om de stad te bewaken, onder in dat gebouw worden goederen gewogen. Daarom staat er ook ‘weegt en waakt’ op de gevel.

Ik moet nu echt gaan slapen want morgen moet ik weer naar school. Lang niet alle kinderen uit de stad gaan naar school. Daar zijn ze te arm voor. Ik wil veel leren. Dan kan ik misschien wel admiraal worden, want dat zijn de echte stoere mannen van de stad. Dan ben ik vast vaker thuis dan mijn heit. Zou hij morgen terugkomen? Ik hoop het. Ohjee, daar luiden de klokken, het is tien voor tien. Iedereen moet nu in de stad zijn, anders gaan de poorten dicht. Gelukkig lig ik in een warm bed. Ik heb zin in morgen, ik weet zeker dat heit dan terugkomt. Misschien heeft hij wat moois meegenomen voor ons allemaal.”

Wat er vandaag de dag nog te zien is van deze geschiedenis:
– Museum Dokkum, gevestigd in het voormalige Admiraliteitshuis
– De tuin van het Admiraliteitshuis, aan de Lange Oosterstraat
– De Grote Kerk op de Markt (wat in vroeger tijden een kleine kerk was, naast een nóg grotere kerk)
– De voormalige scheepswerven tussen het Zuiderbolwerk en De Dijk
– Het waaggebouw, op de Grote Breedstraat
– De vele, vele steegjes in de stad